Afgestudeerde studenten:

- kunnen consecutief tolken uit minstens twee vreemde talen in het Nederlands op het niveau van een conferentietolk;

- kunnen simultaan tolken uit minstens twee vreemde talen in het Nederlands op het niveau van een conferentietolk;

- kunnen consecutief tolken uit het Nederlands in minstens één vreemde taal op het niveau van een conferentietolk;

- kunnen simultaan tolken uit het Nederlands in minstens één vreemde taal op het niveau van een conferentietolk;

- beschikken over een uitstekende mondelinge formuleervaardigheid in het Nederlands;

- hebben kennis van en inzicht in het gebeuren, in de deontologie en in de technieken van het conferentietolken en hebben een grondige basiskennis van de verschillende Europese instellingen.