Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. De twee gekozen talen grondig beheersen: - voor het Nederlands op het niveau van de professionele moedertaalgebruiker; - voor Duits, Engels en Frans op het niveau C1 van het ERK - rekening houdend met de aanwezige voorkennis; - voor Italiaans, Spaans en Zweeds op het niveau B2 van het ERK - rekening houdend met de aanwezige voorkennis; - voor Latijn en Oudgrieks: deze talen beheersen op een niveau vergelijkbaar met het niveau C1/B2 van het ERK voor de relevante dimensies lezen en begrijpen, en op het niveau A2 wat schrijven aangaat.
  2. Kennis van de structuur van de twee gekozen talen toepassen bij de analyse van taalkundige fenomenen.
  3. Kennis van de literaire tradities van de twee gekozen talen toepassen bij de analyse van teksten en bij het situeren ervan in een literair-historische en stilistische context.
  4. Inzicht hebben in de stand van zaken van de belangrijkste stromingen binnen het taalkundig en letterkundig onderzoek.
  5. Inzicht in de historische aspecten van de bestudeerde talen inzetten voor een goed begrip van teksten en de (hedendaagse) taalstructuren.
  6. Oog hebben voor de relaties tussen talen, literaturen en culturen, i.h.b. de twee intensief bestudeerde.
  7. Kennis verwerken van de geschiedenis en cultuur van de gebieden waarin de gekozen talen werden of worden gesproken en die in diverse contexten actief inzetten.
  8. Inzicht hebben in verwante en ondersteunende wetenschappen, hun belang kunnen duiden in taal- en letterkundig onderzoek en met onderzoekers uit die wetenschappen in gesprek kunnen gaan.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Bronnen en studies over de gekozen talen, literaturen en culturen situeren in hun context en kritisch verwerken.
  2. Taal-en letterkundige paradigma's, analysemethoden (waar zinvol met gebruikmaking van digitale hulpmiddelen) en interpretatietechnieken reproduceren en toepassen.
  3. Een taalkundig, literair of cultureel onderwerp kritisch belichten in een wetenschappelijk verantwoorde vorm.
  4. Besef hebben van de historische en ideologische bepaaldheid van onderzoeksvragen en de noodzaak het onderzoeksproces te bevragen
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Over een sterk taalbewustzijn beschikken: de cruciale rol van taal in de menselijke interactie en cultuurproductie begrijpen en taal in overeenstemming hiermee hanteren.
  2. Analytisch denken over (cultuur)historische, literatuurwetenschappelijke en taalkundige problemen.
  3. Een kritische houding hebben ten aanzien van bronnen, wetenschappelijke analyses en theorieën.
  4. Synthetisch verwerken van de resultaten van onderzoek.
  5. Getuigen van een ingesteldheid van intellectuele nieuwsgierigheid en levenslang leren.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Mondeling en schriftelijk rapporteren in de twee gekozen (moderne) talen en/of in het Nederlands, zowel aan vakgenoten als aan niet-vakgenoten.
  2. Samenwerken en discussiëren met anderen in de twee gekozen (moderne) talen en/of in het Nederlands.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Zich bewust zijn van de waarden en normen waarop wetenschappers hun werk baseren.
  2. Op een verantwoorde en doordachte manier omgaan met wetenschappelijke en andere bronnen, met respect voor intellectueel eigendom en de privacy van anderen.
  3. Oog hebben voor maatschappelijke vragen, en zich bewijst zijn van het nut van het vakgebied daarin.
  4. Getuigen van maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel, cultuurgevoeligheid en inzicht in interculturele dynamieken.