Competentiegebied 1: Algemene kenniscompetentie
  1. Kennis hebben over planten, dieren, micro-organismen en de interacties van deze levende materie met de abiotische omgeving
  2. Inzicht hebben in het systeem aarde
  3. Kennis hebben van de chemische structuur en reactiviteit van anorganische en organische materie
  4. Kwalitatieve en kwantitatieve informatie verschaffen over de samenstelling van (levende) materie aan de hand van (bio-)chemische analysetechnieken
  5. De biochemische, genetische, moleculaire en fysiologische aspecten van de levende materie begrijpen
  6. Kennis en inzicht hebben in de wiskundige aspecten van bio-ingenieursvraagstukken
  7. Elementaire noties hebben van wetenschappelijk programmeren, computeralgoritmen en numerieke technieken
  8. Wiskundige basiskennis hebben in de dynamische en stochastische aspecten van bio-ingenieursprocessen
  9. Basiskennis en inzicht hebben in de statistiek en haar rol in de wetenschappelijke methode
  10. Wiskundige modellen gebruiken en modelleertechnieken beheersen voor systeemanalyse
  11. Kennis hebben van de basisprincipes van de fysica en de toepassing ervan in fysische transportverschijnselen
  12. Economische principes, verhoudingen en wetmatigheden begrijpen
  13. Kennis en inzicht hebben in de onderliggende basisprincipes van eenheidsprocessen alsook het beschrijven en kwantitatief analyseren van de technische uitvoering en de integratie ervan
  14. Kennis hebben van aspecten van duurzaamheid in het vakgebied
Competentiegebied 2: Kenniscompetentie specifiek voor de afstudeerrrichting
  1. optie land- en waterbeheer: De vorming, de eigenschappen en het functioneren van bodems, en van de relaties tussen vegetatie en groeiplaats kennen
  2. optie land- en waterbeheer: Basiskennis hebben van weersfenomenen op globale en regionale schaal, van de verschillende hydrologische processen, en van de monitoring en het beheer van aquatische ecosystemen
  3. optie land- en waterbeheer: Ruimtelijke data, bekomen via directe bemonstering of indirecte waarnemingen, over bodems, water en vegetatie beheren en verwerken
  4. optie bos- en natuurbeheer: De vorming, de eigenschappen en het functioneren van bodems, en van de relaties tussen vegetatie en groeiplaats kennen
  5. optie bos- en natuurbeheer: Basiskennis hebben van weersfenomenen op globale en regionale schaal en van de verschillende hydrologische processen
  6. optie bos- en natuurbeheer: Ruimtelijke data, bekomen via directe bemonstering of indirecte waarnemingen, over bodems, water en vegetatie beheren en verwerken
  7. optie bos- en natuurbeheer: Basiskennis hebben van de componenten van (half-)natuurlijke ecosystemen en inzicht hebben in de processen die er plaatsvinden
  8. optie bos- en natuurbeheer: Basiskennis hebben voorhet beheer van bos en natuur in functie van de door de maatschappij gevraagde goederen en diensten
Competentiegebied 4: Wetenschappelijke competentie
  1. Doelgericht wetenschappelijke en technische informatie opzoeken, evalueren en verwerken, en er correct naar refereren
  2. Courante modellen, methoden en technieken selecteren en toepassen bij opdrachten en de resultaten ervan wetenschappelijk en doelmatig verwerken
  3. Abstracte en concrete opdrachten planmatig uitwerken
  4. Verschijnselen, processen en systemen schematiseren en modelleren
Competentiegebied 5: Intellectuele competentie
  1. Analytisch en synthetiserend denken en logisch redeneren om problemen, gerelateerd aan het vakgebied, op te lossen
  2. Blijk geven van nauwkeurigheid, doorzettingsvermogen en kritische reflectie
  3. Directe en indirecte consequenties van gemaakte beslissingen identificeren
Competentiegebied 6: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Wetenschappelijke en discipline-eigen terminologie correct hanteren
  2. Functioneren als lid van een team, ook in interdisciplinaire context
  3. Resultaten van technisch en wetenschappelijk werk zowel schriftelijk en mondeling als grafisch communiceren en presenteren aan de peergroep
Competentiegebied 7: Maatschappelijke competentie
  1. Ethisch reflecteren over problemen geassocieerd met het vakgebied
  2. Zich bewust zijn van de maatschappelijke en economische rol van de bio-ingenieur in de maatschappij
Competentiegebied 8: Ingenieurscompetentie
  1. Wetenschappelijke basiskennis toepassen voor een kwantitatieve aanpak van problemen
  2. Geïntegreerd toepassen van brede basiskennis, met daarbij niet enkel aandacht voor wetenschappelijk-technologische aspecten, maar ook economische, ecologische en ethische aspecten
  3. Zicht hebben op diverse beroepssituaties en werkterreinen van bio-ingenieurs