Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. Inzicht bezitten in de 3 hoofddisciplines van de klinische biologie (Klinische chemie, Hematologie en Microbiologie).
  2. Kennis bezitten over kwaliteitsborging binnen het laboratorium.
  3. De relevantie van klinische tests kennen en de geleverde resultaten interpreteren.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Opvolgen van evoluties in de diverse vakgebieden via ICT, gedrukte bronnen en nascholing.
  2. Wetenschappelijke literatuur gebruiken voor selectie en implementatie van diagnostische tests.
  3. Zelfstandig procedures voor laboratoriumonderzoek ontwikkelen, uitwerken, valideren, toepassen en interpreteren.
  4. Zelfstandig fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek verrichten.
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Analytisch, synthetisch, probleemoplossend en probleemvoorkomend denken binnen een laboratoriumsetting.
  2. Complexe problemen zelfstandig analyseren.
  3. Onderzoeksgericht denken en handelen.
  4. Een wetenschappelijke nieuwsgierigheid en een ingesteldheid tot levenslang leren bezitten.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Advies geven omtrent aanvragen en interpretatie van laboratoriumanalysen.
  2. Communiceren en samenwerken in een multidisciplinaire professionele omgeving.
  3. Leiding geven binnen een laboratoriumsetting.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Ethisch en deontologisch handelen bij de uitoefening van het beroep.
  2. Verantwoordelijk handelen tegenover de patiënt en de maatschappij.
  3. Patiënten en andere gezondheidswerkers eerlijk en met respect tegemoet treden.