Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. Gevorderde en gespecialiseerde methoden en technieken van de geomatica en de landmeetkunde zelfstandig toepassen (onder meer ruimtelijk positioneren en lokaliseren, karteren, kaartanalyse en -interpretatie, luchtfotografie en teledetectie, (carto)grafisch voorstellen van resultaten en ruimtelijk en geografisch modelleren, alsook het onderwerpen aan expertise van vastgoed).
  2. Getuigen van een geïntegreerde visie op vraagstukken van lokalisatie in en beheer van de ruimtelijke gegevens.
  3. Een kritisch overzicht hebben van (inter)nationaal onderzoek in het specifieke onderzoeksdomein.
  4. Recente ontwikkelingen in de belangrijkste deelgebieden van de geomatica en landmeetkunde kennen.
  5. Complexe datasets (ruimtelijk, temporeel, semantisch, kwalitatief en kwantitatief) en -formaten (analoog, digitaal, statistisch, (carto)grafisch) hanteren, analyseren en structureren in een geografisch informatiesysteem.
  6. Complexe verschijnselen op verschillende ruimtelijke schalen en in verschillende dimensies zelfstandig waarnemen, analyseren en interpreteren.
  7. Technische en wetenschappelijke kennis benutten voor het hoog kwalitatief opmeten, plaats bepalen, beheren, analyseren en communiceren van ruimtelijke en geografische gegevens.
  8. Getuigen van grondige kennis van het juridische en administratieve kader waarbinnen de landmeter actief is.
  9. Getuigen van gespecialiseerde kennis in de ruimtelijke referentiesystemen.
  10. Getuigen van grondige kennis in de verschillende aspecten (bouwkundig, juridisch, economisch) van de evaluatie van het vastgoed.
  11. Gevorderde begrippen en kennis van de geomatica en geo-informatiekunde beheersen.
  12. Bijdragen tot het onderzoek van toepassingen van de geo-informatiekunde.
  13. Cartografische communicatietechnieken en managementtechnieken van geografische informatie hanteren.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Meertalige internationale literatuur kritisch gebruiken in eigen onderzoek.
  2. Onderzoeksvragen zelfstandig formuleren en analyseren en de resultaten van onderzoek correct weergeven in een wetenschappelijk rapport, scriptie of artikel.
  3. Modellen voor onderzoek van complexe ruimtelijke problemen gebruiken en nieuwe modellen voorstellen.
  4. Gespecialiseerde technieken toepassen om wetenschappelijke kennis en inzicht uit te breiden.
  5. Kritisch omgaan met gegevensbronnen van diverse aard (administratieve bronnen, kaarten, beelden, opmetingen, databanken enz.).
  6. Onderzoeksvragen formuleren over complexe problemen in de geomatica en landmeetkunde.
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Zelfstandig systematisch en kritisch reflecteren over het eigen denken en handelen en dit vertalen naar doordachte conclusies en meer adequate oplossingen.
  2. Zich zelfstandig nieuwe inzichten, technologische en methodologische ontwikkelingen binnen de geomatica eigen maken.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Onderzoeksresultaten schriftelijk rapporteren in de gebruikelijke formaten van wetenschappelijk schrijven en refereren, gebruik makend van proces verbaal, rapporten, (carto)grafische beeldtaal en van tabellen en statistieken.
  2. Onderzoeksresultaten en processen verbaal mondeling presenteren en verdedigen voor vakgenoten en niet-vakgenoten, en voor een breed publiek.
  3. Samenwerken in interdisciplinair verband.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Maatschappelijke effecten van wetenschappelijke ontwikkelingen inschatten en bijdragen tot het maatschappelijke debat.
  2. De betekenis van maatschappelijke ontwikkelingen op het onderzoek en de ontwikkelingen van de geomatica inschatten.
  3. Een wetenschappelijk, economisch, juridisch en ethisch onderbouwd standpunt innemen over (het beheer van) ruimtelijke informatie.
Competentiegebied 6: Beroepsspecifieke competentie
  1. Voldoen aan de beroepskwalificatie voor landmeter, zoals beschreven door de VLOR.
  2. Zelfstandig wetenschappelijk onderzoek verrichten.
  3. Zelfstandig wetenschappelijke kennis aanwenden in diverse werksituaties.
  4. Minor onderwijs: Wetenschappelijke kennis en vaardigheden van de geografie en verwante wetenschapsdomeinen onderwijzen op verschillende niveaus.
  5. Minor onderwijs: De maatschappelijke relevantie van de geografie aantonen.
  6. Minor onderwijs: De vakdidactische kennis actualiseren en verdiepen.
  7. Minor economie en bedrijfskunde: Grondige kennis en vaardigheden in verschillende aspecten van bedrijfsvoering, bedrijfseconomie, beleidsontwikkeling en projectmanagement.