Profiel van de opleiding

De opleiding master in de biologie heeft als doelstelling de masters voor tenminste één geïntegreerde deeldiscipline van de biologie de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen bij te brengen. Aan de UGent ligt de focus op drie grote topics: ‘Global Change Ecology’, ‘Biodiversity and Evolutionary Biology’, en ‘Functional Biology’. Er wordt daarenboven gewerkt met twee leerlijnen (‘General Biology’ en ‘Research Biology’) met een verschillende nadruk op verdere professionalisering (onderzoek versus onderwijs of economie en bedrijfskunde). Het doel van de opleiding is de masters te leren wetenschappelijke problemen conceptueel en praktisch op een zelfstandige en efficiënte manier aan te pakken. Hierbij is het nodig dat zij de theoretische achtergrond leren toepassen op het gebied van wetenschappelijke of maatschappelijke activiteiten en een manier van denken ontwikkelen die hen in staat stelt om de specifieke aanpak van de biologie toe te passen op maatschappelijke/ethische problemen.

 

Daarnaast is er ook aandacht voor het ontwikkelen van een zin voor creativiteit en kritische ingesteldheid, die hen in staat stelt autonoom en levenslang kennis te verwerven en onderzoek te doen. De beoogde beroepsspecifieke competenties bereiden voor op een loopbaan als onderzoeker, binnen industrie en beleid, of in het onderwijs, dit dus gekoppeld aan de twee leerlijnen.

 

Het curriculum van de tweejarige masteropleiding biologie is opgebouwd rond volgende componenten: 18 studiepunten voor vier gemeenschappelijke vakken, 30 studiepunten voor de masterproef, 42 studiepunten voor majorvakken, en 30 studiepunten voor keuzevakken (minor).

 

De gemeenschappelijke vakken sluiten aan bij de meer generieke competenties (via biostatistiek, computationele biologie, wetenschappelijke communicatie en schrijven van wetenschappelijke projecten) in het vakgebied biologie van de studenten die instromen uit een bacheloropleiding biologie van één van de Vlaamse Universiteiten (of daarbuiten) en bereiden de student voor op de major-invulling en op de masterproef via de ontwikkeling van een grondige wetenschappelijk-methodologische kennis.

 

In het eerste masterjaar kan de student keuzes maken op meerdere niveaus. Vooreerst kan gekozen worden uit twee leerlijnen: ‘Research Biology’ of ‘General Biology’. Binnen de leerlijn ‘Research Biology’ kan dan gekozen worden uit drie majors, namelijk ‘Global Change Ecology’, ‘Biodiversity and Evolutionary Biology’, en ‘Functional Biology’. Binnen de leerlijn ‘General Biology’ kan naar keuze een pakket worden samengesteld voor 42 studiepunten van opleidingsonderdelen uit deze drie majors. Deze majors geven een verdiepend en geïntegreerd inzicht in alle onderzoeksgebieden waarrond binnen de UGent onderzoeksexpertise aanwezig is en laten toe om zich binnen deze onderzoeksdomeinen te specialiseren maar toch een brede basis aan competenties op masterniveau te verwerven (dus geen overspecialisatie).

 

De masterproef situeert zich binnen deze major topics. De keuze van het onderwerp van de masterproef gebeurt reeds vanaf het eerste masterjaar, en kan steunen op een onderwerp door studenten zelf aangebracht. Binnen de leerlijn ‘General Biology’ kan in combinatie met de minor Onderwijs ook een masterproef gerealiseerd worden die zich meer situeert binnen het biologisch onderwijs De masterproef kadert doorgaans in lopende nationale of internationale (Europese) projecten, soms gebeurt het onderzoek in samenwerking met binnen- en buitenlandse (onderzoeks)instellingen. Masterproeven kunnen ook de resultaten van projecten verder exploiteren, of zelfs een prospectief karakter hebben naar nieuwe projecten toe. De masterproef is de bekroning van de studie, waarbij de student conform de beoogde leerresultaten de verworven inzichten, kennis, synthetisch en kritisch vermogen, en vaardigheden kan laten zien maar ook kan uitbreiden. De masterproef wordt voorbereid in het eerste masterjaar door het uitwerken en voorstellen van een projectvoorstel over het gekozen onderwerp (3 studiepunten voorzien in het tweede semester van het eerste masterjaar onder ‘Schrijven van Wetenschappelijke Projecten’) waarin het onderzoek via literatuurstudie, gevolgd door schriftelijke en mondelinge presentaties, over het thema van het onderwerp van de masterproef ingeleid wordt. Dit laat toe dat de student een ‘state of the art’ inzicht verwerft van het onderwerp en een duidelijke wetenschappelijke probleemstelling kan formuleren die hij/zij in het kader van de Masterproef zal aansnijden, maar biedt ook een zeer realistische professionele voorbereiding naar het kunnen uitschrijven van onderzoeksprojecten (bv. voor het uitvoeren van een doctoraatsonderzoek).

 

Gekoppeld aan de keuze van de leerlijn, is er verder keuze uit drie opties voor de minor. Bij de leerlijn ‘Research Biology’ wordt de minor onderzoek voor 30 studiepunten aan verdiepende keuzevakken genomen, aangeboden binnen de eigen opleiding of door andere Vlaamse/Nederlandse universiteiten. Bij de leerlijn ‘General Biology’ wordt de minor onderwijs en de minor economie en bedrijfskunde (30 stp) faculteitsbreed aangeboden. De studenten genieten een grote mate van flexibiliteit om zelf te bepalen in welk studiejaar ze deze minorvakken in hun curriculum opnemen.

 

De opleiding tot master in de Biologie biedt diverse loopbaanperspectieven. Dit kan gaan van wetenschappelijk onderzoeker binnen onderzoeksprojecten aan de universiteit zelf, in één van de Nationale Instituten (Nationale Plantentuin Meise; Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen; Koninklijk Museum voor Midden Afrika; Instituut voor Natuurbehoud,..) of in privé-bedrijven (meerdere sectoren, zoals bijvoorbeeld biotechnologische, farmaceutische, medische, voedings-, of milieu sector); een onderwijsfunctie in de Natuurwetenschappen in het secundaire en hoger onderwijs; of een beleidsondersteunende functie in diverse sectoren die betrokken zijn bij milieu en natuur. De brede, fundamenteel-wetenschappelijke vorming, gekoppeld aan meerdere ‘transferable skills’ die in de opleiding Biologie aangeleerd worden, het vermogen om complexe problemen te analyseren en de experimentele vaardigheden zijn ook belangrijke troeven voor tewerkstelling in een brede waaier aan sectoren (zie hierboven).