Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. Beschrijft en verklaart op geïntegreerde en verdiepende manier biologische patronen en processen binnen een evolutionair kader.
  2. Integreert de verschillende organisatieniveaus in de biologie waarop patronen en processen zich afspelen (van gen tot ecosysteem).
  3. Past kennis en inzichten in de nieuwste ontwikkelingen toe binnen een meer gespecialiseerd subdomein in de biologie (biodiversiteit, evolutionaire biologie, fundamentele en toegepaste ecologie, en/of functionele biologie).
  4. Past op creatieve, interdisciplinaire en probleemgerichte manier modellen, theorieën en methodieken (ook uit aanverwante wetenschappen) toe en ontwikkelt deze verder in relatie tot specifieke biologische vraagstellingen.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Schat zelfstandig de complexiteit van een biologisch probleem in, zowel van fundamentele en/of toegepaste aard.
  2. Steunt op de wetenschappelijke methode om na kritische evaluatie van beschikbare informatie de relevante onderzoeksvraagstellingen en hypotheses te formuleren.
  3. Vertaalt biologische vraagstellingen en hypotheses naar een probleemgestuurde en gestructureerde onderzoeksstrategie.
  4. Ontwerpt zelfstandig een probleemgestuurde strategie en selecteert gepaste technieken voor het uitvoeren van experimenten of waarnemingen binnen een veldomgeving of labo.
  5. Voert accuraat en gericht observaties en metingen uit van complexe biologische structuren, patronen en processen.
  6. Steunt op een uitgebreide kennis van computationele en statistische analysetechnieken om complexe biologische datasets te beheren en te analyseren.
  7. Volgt zelfstandig en kritisch nieuwe conceptuele en methodologische ontwikkelingen op in de internationale literatuur.
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Kadert gespecialiseerde biologische kennis binnen een bredere wetenschappelijke context.
  2. Handelt doelgericht via afbakening van prioriteiten, afhankelijk van de complexiteit van een biologische vraagstelling binnen het onderzoek, onderwijs en/of een brede wetenschappelijke, maatschappelijke of economische context.
  3. Analyseert en synthetiseert recente ontwikkelingen in functie van een probleemstelling binnen één of meerdere subdisciplines in de biologie op een kritische manier.
  4. Getuigt van een attitude van nieuwsgierigheid en levenslang leren, waarbij biologische informatie op een kritische manier geanalyseerd en geverifieerd wordt, afgestemd op de betrouwbaarheid van de originele informatiebron.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Maakt abstractie van de complexiteit van wetenschappelijke informatie in relatie tot het communicatieniveau, zoals afgestemd op het doelpubliek.
  2. Communiceert zowel eigen onderzoek als onderzoek in internationale literatuur naar gespecialiseerd en breed publiek.
  3. Gebruikt gepaste communicatievormen, afhankelijk van de aard, doelstelling en doelgroep voor de communicatie van biologische thema’s en daaraan verwante onderwerpen (inspirerend, informerend, fondswerving, p.r., sollicitatie, beleidsmatig advies).
  4. Synthetiseert wetenschappelijke informatie schriftelijk en mondeling in het Nederlands en het Engels, zowel individueel als in groepsverband.
  5. Organiseert groepswerk om via taakverdeling en onderling overleg op een efficiënte en resultaatgerichte manier tot een gezamenlijk besluit en rapportering te komen.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Ontwikkelt en communiceert een wetenschappelijk onderbouwde visie m.b.t. de consequenties van menselijke activiteiten op ecosystemen en biodiversiteit.
  2. Handelt op een wetenschappelijk-ethisch verantwoorde manier bij biologisch onderzoek en onderwijs, en aanverwante professionele activiteiten.
  3. Kadert het nut en belang van de resultaten van biologisch onderzoek binnen een bredere maatschappelijke en/of economische context.
Competentiegebied 6: Beroepsspecifieke competentie
  1. Heeft de houding om ondersteunende wetenschappen bij professionele activiteiten en/of onderzoek zelfstandig, correct, kritisch en creatief aan te wenden.
  2. Minor onderwijs: Brengt kennis, inzicht, praktische vaardigheden en attitudes aan bij het onderwijzen van biologische patronen en processen.
  3. Minor onderzoek: Functioneert autonoom of in groepsverband om gericht biologische vraagstellingen op te lossen en te vertalen naar bruikbare informatie binnen een fundamentele en toegepaste context.
  4. Minor economie en bedrijfskunde: Steunt op basisbegrippen en inzichten in bedrijfskunde en economie, om commerciële valorisatie van biologische informatie en/of analysetechnieken te realiseren.
  5. Kan de verworven kennis, vaardigheden en attitudes in de biologische wetenschappen aanwenden binnen een brede diversiteit aan beroepen (binnen context van onderzoek, onderwijs, dienstverlening, adviesverlening en/of bedrijfskunde).