Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. Zelfstandig kennis van de actoren, de beleidsprocessen en de besluitvormingsprocessen in het criminologisch werkveld toepassen bij de benadering van deviantie- en criminaliteitsfenomenen en reacties daarop.
  2. Zelfstandig kennis van de Europese en internationale institutionele- en beleidsontwikkelingscontext van de criminologie en de strafrechtsbedeling toepassen bij de benadering van deviantie- en criminaliteitsfenomenen en reacties daarop.
  3. Diepgaande kennis van specifieke deviantie- en criminaliteitsfenomenen en de reacties daarop verwerken bij wetenschappelijk onderzoek.
  4. Criminaliteits- en deviantiefenomenen multi-dimensioneel benaderen.
  5. Criminaliteits- en deviantiefenomenen multidisciplinair, geïntegreerd en integraal aanpakken.
  6. Kennis hebben van actuele discussies en vraagstukken m.b.t. deviantie- en criminaliteitsfenomenen en de reacties daarop.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Vanuit een visie op theorie en onderzoek criminaliteits- en deviantiefenomenen en reacties daarop kritisch analyseren.
  2. Een relevant en samenhangend onderzoeksopzet uitschrijven.
  3. Zelfstandig passende analysetechnieken selecteren, uitvoeren en de resultaten kritisch interpreteren.
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Een standpunt wetenschappelijk beargumenteerd formuleren over criminaliteits- en deviantiefenomenen en reacties daarop.
  2. Innovatief wetenschappelijk beargumenteerd beleidsgericht, beleidsvoorbereidend en beleidsondersteunend denken.
  3. Zelfstandig systematisch en kritisch reflecteren over het eigen denken en zo nodig bijsturen.
  4. Blijk geven van een actieve houding tegenover actualiteit, permanente kennisontwikkeling en ‘levenslang leren’.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Helder schriftelijk communiceren over persoonlijke standpunten en/of resultaten van (eigen) wetenschappelijk onderzoek.
  2. Persoonlijke standpunten en/of resultaten van (eigen) onderzoek mondeling communiceren aangepast aan het doelpubliek.
  3. Openstaan voor en deelnemen aan het academisch en professioneel debat binnen het domein criminologisch domein.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Inzicht hebben in de maatschappelijke rol en verantwoordelijkheid van een criminoloog en van de daarmee samenhangende ethische, culturele en juridische vraagstukken.
  2. Kritische reflecteren over het actueel beleid in criminologische relevante domeinen.
  3. Integriteit en deontologische normen respecteren en integreren in het wetenschappelijk werk en in het functioneren als criminoloog.
  4. Cultuurgevoeligheid en respect voor diversiteit, pluralisme en verdraagzaamheid integreren in het wetenschappelijk werk en in het functioneren als criminoloog.
Competentiegebied 6: Beroepsspecifieke competentie
  1. Een professionele houding hebben die getuigt van constructief en generalistisch oordeelsvermogen, kritische distantie en zelfstandig denken.
  2. Afhankelijk van de situatie gepast inspirerend en adviserend handelen.