Competentiegebied 1: Competentie in één of meerdere wetenschappen
  1. Kennis hebben van de verschillende subdomeinen van de wijsbegeerte en de belangrijkste vraagstukken daarbinnen.
  2. De kernbegrippen uit de wijsbegeerte kennen en adequaat gebruiken.
  3. Oriënterend inzicht hebben in de geschiedenis van de wijsbegeerte, en de ontwikkeling van de belangrijkste problemen daarbinnen.
  4. Inzicht hebben in het verschil tussen filosofische scholen, stijlen en onderzoekstradities
  5. Inzicht hebben in meerdere wetenschappen en hun relevantie voor de wijsgerige reflectie duiden.
  6. Inzicht hebben in de samenhang tussen filosofische vraagstukken enerzijds, en algemene maatschappelijke en culturele fenomenen en wetenschappelijke ontwikkelingen anderzijds.
Competentiegebied 2: Wetenschappelijke competentie
  1. Geldige van ongeldige argumenten te onderscheiden. Argumenten correct construeren.
  2. Internationaal gewaardeerd wijsgerig onderzoek identificeren, naar waarde schatten en benutten, gebruik makende van de nodige informatievaardigheden en referentietechnieken.
  3. Filosofische teksten in het Nederlands, Frans en Engels inzichtvol analyseren, synthetisch samenvatten, en interpreteren.
  4. Wijsgerig onderzoek initiëren door op basis van theoretische modellen complexe problemen te detecteren en accuraat te formuleren.
  5. De resultaten van bestaand en tentatief eigen onderzoek interpreteren en rapporteren.
Competentiegebied 3: Intellectuele competentie
  1. Kritisch reflecteren over de eigen opvattingen en deze argumentatief onderbouwen
  2. Een beredeneerd oordeel vormen over diverse problemen, op basis van wijsgerige inzichten en wetenschappelijke kennis.
  3. Een houding van levenslang leren bezitten en getuigen van voortdurend engagement om nieuwe ideeën te ontwikkelen.
Competentiegebied 4: Competentie in samenwerken en communiceren
  1. Mondeling en schriftelijk communiceren over de resultaten van wijsgerig onderzoek, met deskundigen en leken.
  2. Constructief debatteren over wijsgerige en maatschappelijke problemen.
  3. Mondeling en schriftelijk communiceren over de resultaten van wijsgerig onderzoek, met deskundigen en leken.
Competentiegebied 5: Maatschappelijke competentie
  1. Het veranderende statuut van de filosofie binnen de maatschappelijke context historisch duiden.
  2. De maatschappelijke implicaties van academische filosofische posities en theoriëen inschatten.
  3. Filosofische vragen identificeren in diverse maatschappelijke debatten en op basis daarvan de ingenomen standpunten interpreteren.
Competentiegebied 6: Beroepsspecifieke competentie
  1. In een verscheidenheid aan contexten problemen detecteren en analyseren.